Skip over navigation | Sla menu over

Een Collectie Verrijkt door Peter Hecht

Zaal 22: Breitner en Van Gogh

Rond 1885 verplaatste zich het artistieke centrum van Nederland van Den Haag naar Amsterdam. De idylle van het mooie landschap werd vervangen door het beeld van de grote stad –de paardentram, de bouwput, winkelmeisjes. De grootmeester van deze beweging was Breitner, die als jonge schilder in Den Haag was begonnen en daar ook Vincent van Gogh als beginnend schilder had meegemaakt. Breitner zag toen nog niets in Van Goghs kunst en meende dat die wel altijd ‘kunst voor Eskimo’s’ zou blijven. Hijzelf vertrok in 1886 naar Amsterdam, Van Gogh emigreerde in datzelfde jaar naar Frankrijk. Als kunstenaar kwam Van Gogh pas laat op gang, en het valt zijn collega Breitner nauwelijks kwalijk te nemen dat hij niet veel begreep van diens vroege, technisch onbeholpen werk. Toch is ook die sombere, vroege Van Gogh achteraf gezien helemaal zo slecht nog niet. In Nederland ontstond er na zijn dood zelfs eerder waardering voor dan het nu zoveel bekendere werk dat hij in Zuid Frankrijk heeft gemaakt.

Isaac Israëls

Amsterdam, 1865 – Den Haag, 1934

Koffiepiksters, 1886

Olieverf op doek, 100 x 76 cm

Isaac Israëls interesseerde zich voor het leven in de grote stad en trok dus van Den Haag naar Amsterdam. Een winkelstraat, een danskelder, werkende vrouwen, zoals deze meiden die koffiebonen sorteren voor de kost: dat was zijn repertoire. De Haagse School concentreerde zich op het Hollandse landschap, de volgende generatie zocht naar het karakteristieke van de eigen tijd door te verbeelden wat de mensen zoal doen.

Koffiepiksters, 1886

George Hendrik Breitner

Rotterdam, 1857 – Amsterdam, 1923

Doorbraak voor de bouw van de Beurs te Amsterdam, 1903

Olieverf op doek, 101 x 151 cm

De Rotterdammer Breitner ging als jonge kunstenaar naar Den Haag, dat toen nog het artistieke centrum van Nederland was. Maar in 1886 verhuisde hij naar Amsterdam, waar inmiddels meer te beleven viel. Beroemd werden zijn schilderijen en foto’s van de snel veranderende stad: de bouwput bleek een ijzersterk motief. Dankzij Breitner werd zijn brutale schoonheid het beeld bij uitstek van het 19de-eeuwse Amsterdam.

Doorbraak voor de bouw van de Beurs te Amsterdam, 1903

Vincent van Gogh

Zundert, 1853 – Auvers-sur-Oise, 1890

Weversinterieur, 1884

Olieverf op doek op paneel, 47,5 x 61 cm

Van Gogh schreef al in 1880 over de grote indruk die mijnwerkers en wevers op hem maakten. Zij waren ‘de minsten van allen, bij wijze van spreken’, en juist daarom het afbeelden waard. Toen hij enkele jaren later in het Brabantse Nuenen werkte, vereeuwigde hij dan ook een paar van deze zwijgzame kerels achter hun weefgetouwen. Geruïneerd door de moderne textielindustrie, maar ‘onbeschrijfelijk mooi’.

Weversinterieur, 1884

George Hendrik Breitner

Rotterdam, 1857 – Amsterdam, 1923

Houtvlotten in de sneeuw bij de Zandhoek, 1903

Olieverf op karton op paneel, 62 x 74 cm

Een uitgesproken colorist herkent men aan zijn eenvoudige palet, schreef Philippe Zilcken in een vroege publicatie over zijn collega Breitner. Zwakkere broeders gebruiken ‘bijna alle hulpmiddelen der verffabrikanten’ en hun schilderij wordt dof; Breitner kan toe met zeven of acht verven en het ontbreekt hem aan niets. De rijkdom van dit schilderij bewijst Zilckens gelijk. Zo zien de westelijke eilanden van Amsterdam er ’s winters uit.

Houtvlotten in de sneeuw bij de Zandhoek, 1903

Anton Mauve

Zaandam, 1838 – Arnhem, 1888

In de moestuin (De warmoezenierster), 1887

Olieverf op doek, 55,5 x 75 cm

Anton Mauve was een van de bekendste meesters uit de Haagse School. Vooral zijn schilderijen van stemmige heidegronden met schapen waren ongehoord populair. Zijn kunst was er een van grijzen en bruinen, van toon en niet van kleur. Maar toen Mauve van Den Haag naar Laren verhuisde, ontdekte hij een heel ander palet. Deze moestuin met zijn rijke groen is daar een prachtig voorbeeld van.

In de moestuin (De warmoezenierster), 1887

Vincent van Gogh

Zundert, 1853 – Auvers-sur-Oise, 1890

Cineraria's, 1886

Olieverf op doek, 54,5 x 45,5 cm

In maart 1886 ging Vincent van Gogh naar Parijs en trok er in bij zijn broer, de kunsthandelaar Theo. Die vertelde hem dat zijn schilderijen te donker waren en dat hij ook een beetje rekening zou moeten houden met de smaak van mogelijke klanten. Zo ontstond een aantal schilderijen met bloemen en planten, waaronder deze nogal stoer in beeld gebrachte cineraria. Bijzonder kleurrijk is zij niet.

Cineraria's, 1886

George Hendrik Breitner

Rotterdam, 1857 – Amsterdam, 1923

Het oorringetje, 1893

Olieverf op doek, 84,5 x 57,5 cm

Zoals veel Europese kunstenaars raakte ook Breitner rond 1890 gefascineerd door Japan. Zo schilderde hij zijn lievelingsmodel Geesje een paar keer in kimono in een soort fantasieën over de geisha, het Japanse meisje van plezier. Hier verwijzen de exotische stof van haar jurk, het opgestoken haar en het Japanse kamerscherm naar diezelfde droom. Dat Geesje ons niet opmerkt terwijl wij haar bespieden, past daar uitstekend bij.

Het oorringetje, 1893

George Hendrik Breitner

Rotterdam, 1857 – Amsterdam, 1923

Zelfportret, 1882

Olieverf op doek, 40 x 30 x 2 cm

Toen Breitner in 1882 dit zelfportretje schilderde was hij 25 jaar. Zijn missie was hem inmiddels duidelijk, zoals blijkt uit een brief uit datzelfde jaar aan zijn Rotterdamse weldoener Van Stolk: hij wilde ‘de schilder van het volk’ worden. Beter nog, hij was het al, 'omdat ik het wil’. Precies zo zelfbewust kijkt hij op ons neer, in hemdsmouwen en met een opgestoken sigaret.

Zelfportret, 1882