Skip over navigation | Sla menu over
6 okt 2016

Toespraak Minister Bussemaker en dankwoord Martijn Sanders bij toekenning Museummedaille

Toespraak Minister Bussemaker en dankwoord Martijn Sanders bij toekenning Museummedaille

Toespraak Minister Bussemaker

Dames en heren,

Tijdens dit museumcongres staat de snel veranderende samenleving centraal, en de invloed daarvan op onze musea, hun bezoekers en publieke eigenaren in de breedste zin van het woord. We hebben te maken met snelle ontwikkelingen in technologie, die kansen bieden en uitdagingen met zich mee brengen, bijvoorbeeld in de presentatie van je erfgoed en in culturele voorkeuren van het publiek. En er is ook sprake van een toenemende bevolkingsgroei in de grote steden, én het aantal minderheden dat sterk toeneemt in die steden.
Dat ook dit gevolgen heeft voor de relatie met het publiek, het profiel van je museum en de identiteit van je collectie, spreekt voor zich. Met name diversiteit, en de ambitie om zoveel mogelijk mensen met al die verschillende achtergronden bij musea te betrekken vind ik belangrijk, maar óók de vraag hoe je dit bijvoorbeeld terugziet in de opbouw en presentatie van tijdelijke en vaste collecties. En wat dit vraagt van de samenwerking met andere musea en instellingen.

Maar ik denk dat we ons ook moeten realiseren dat het nadenken over deze zaken alleen mogelijk is met een goede basis. Dat we zorg dragen voor een gezonde, rijke openbare kunstcollectie die regelmatig wordt aangevuld en verrijkt dankzij particuliere en overheidsbijdragen. Een collectie die het erfgoed van de generaties vóór ons vertegenwoordigt. En die duurzaam toegankelijk moet blijven. Voor zoveel mogelijk mensen in dit land. En voor de generaties ná ons. De overheid en het particulier initiatief, het Mecenaat, vullen elkaar hierbij aan.

Gelukkig hébben we in Nederland een sterk Mecenaat, waarbij de Vereniging Rembrandt een belangrijke rol vervult.
En dat brengt mij op een heel natuurlijke manier bij één persoon. Martijn Sanders.

Beste Martijn Sanders.

Er gaat er altijd een kleine schok door de Nederlandse cultuurwereld heen als jij ergens afscheid neemt. Zoals nu, onlangs bij de Vereniging Rembrandt. Want we kunnen je eigenlijk niet missen. Ik kreeg het verzoek om je hier vandaag toe te spreken. De Museumvereniging heeft er ruimte voor vrijgemaakt in hun programma. En dat doe ik graag.

Je bent een homo universalis in het cultuurbestuur. Bij weinig andere cultuurbestuurders zijn artistiek inzicht, gevoel voor maatschappelijke en politieke verhoudingen én financieel vernuft op zo’n hoog niveau, in één mens verenigd. En daarbij kan ik, zeker in dit gezelschap, je persoonlijke passie voor beeldende kunst – als stille onderstroom – ook niet onbenoemd laten. Dus laat ik daarmee beginnen.

Je ouders waren beide bekende verzamelaars. Bekende kunstenaars en invloedrijke mensen uit de cultuurwereld kwamen bij jullie vroeger thuis over de vloer. En het bloed kroop waar het niet gaan kon. Wat bij jou én je vrouw, vlak na jullie huwelijk begon met één werk van Peter Struyken is uitgedijd tot een collectie van vele honderden kunstwerken van inmiddels grote namen - zoals Sandro Chia, Cindy Sherman, Richard Long, Armando en vele anderen.
Hoe diepgaand je liefde voor beeldende kunst je beïnvloedde bleek bijvoorbeeld toen je zo’n drie decennia terug gegrepen werd door het werk van Anselm Kiefer, destijds nog vrij onbekend.  
Eén van zijn door jou bewonderde werken verwees naar de Opera Siegfried van Wagner, en toen je die opera ging beluisteren werd je er naar eigen zeggen, zó door gegrepen dat je besloot te solliciteren op de baan die je 24 jaar lang hebt volgehouden – directeur van het Concertgebouw.

Na je pensioen ging je verder als onbezoldigd cultuurbestuurder op tal van terreinen - onder meer voor de Vereniging Rembrandt. Waar je liefde voor de beeldende kunst nóg meer samenviel met je inzet voor de cultuurwereld. Ook daar kwamen de genoemde eigenschappen je overigens goed van pas. Je wist het het aankoopbudget méér dan te verdubbelen – via een strategie die je ontwikkelde, nog vóór de bezuinigingen van mijn voorganger.
En je investeerde ook flink in het profileren van de belangrijke, publieke waarde van het Nederlands Mecenaat.
Je weet uit eigen ervaring wat er omgaat in de hoofden en harten van gulle gevers. En daarom heb je helder naar buiten weten te brengen dat een gezonde geefcultuur zich voedt met vertrouwen. Namelijk het vertrouwen dat giften en schenkingen die bedoeld zijn voor het grote publiek, niet het slachtoffer worden van korte termijn belangen van politiek en overheden. En dat er dus wettelijke waarborgen moeten zijn voor het schenken - met als doel het nationaal kunstbezit duurzaam te verrijken. Jouw inbreng bij het ontwerpen van de Geefwet is in dat opzicht van grote waarde geweest.

Martijn, je zou kunnen zeggen dat je een geweldige belangenbehartiger bent geweest voor particuliere gevers. En dat je juist daardoor, hebt bijgedragen aan een duurzaam cultureel klimaat. Jij wees al in je tijd bij het Concertgebouw op de verantwoordelijkheid van particuliere burgers om zélf verantwoordelijkheid te dragen voor onze kunst en erfgoed. En de afgelopen jaren heb je daar verder invulling aan gegeven.
-Door het toegenomen aantal belangrijke aankopen die Nederlandse musea dankzij de Vereniging Rembrandt hebben kunnen doen.
-Door het advies dat je gaf aan bijvoorbeeld kleinere stedelijke musea hoe om te gaan met de bezuinigingen.
-Door inhoudelijk over de collectie Nederland in zijn geheel mee te denken en over de spreiding daarvan over het hele land.
-Door het Fellowship en het onderzoeks-fonds in te stellen waardoor kennis over die collectie en het uitdragen daarvan beter plaats kunnen vinden.

Met het benoemen en némen van die verantwoordelijkheid sta je in een rijke traditie. Nederland kent veel culturele instellingen die we te danken hebben aan particulier initiatief uit vorige eeuwen, denk aan het Rijksmuseum, denk aan het Concertgebouw. En we hebben die betrokkenheid van particulieren bij onze kunst en cultuur ook nú, vandáág en morgen nodig. Omdat het laat zien dat ook burgers zélf, houden van  kunst en erfgoed, houden van de schoonheid die het ons allemaal biedt. En hechten aan de maatschappelijke waarde ervan die we als land zo hard nodig hebben.
Dat duurzame draagvlak vanuit de samenleving hebben we nodig, juist ook op momenten dat de ondersteuning van kunst en cultuur vanuit politiek of overheid onder druk staan. Waarbij er een goede balans moet blijven, dat natuurlijk ook.

En jij, Martijn Sanders, hebt daar op een geweldige manier aan bijgedragen.

Ik noemde aan het begin al je persoonlijke passie voor beeldende kunst - als stille kracht voor het belangrijke werk dat je verricht hebt ten behoeve van het nationaal kunstbezit. Onlangs heb je een deel van je eigen verzameling geschonken aan het Stedelijk Museum in Amsterdam. Je eigen ouders kregen in 1997, onder meer om die reden al eens een belangrijke onderscheiding. En dat brengt mij bij het volgende:

Dames en heren,

Op 30 mei 1816 kreeg koning Willem I een cadeautje. Een zekere meneer Anzuni schonk hem een exemplaar van een door hemzelf geschreven boek. Dat boek ging over de geschiedenis van de piraterij rond de kusten van Algerije. Koning Willen I wilde de schenker van dit culturele cadeau passend bedanken. Daartoe riep hij bij Koninklijk besluit van 26 juni 1817 een speciaal ereteken in leven, nu beter bekend als de Museummedaille.
Deze penning was de materiële uitdrukking van de koninklijke stimulans om culturele schenkingen te bevorderen.
Gaandeweg ging de maatschappelijke betekenis van deze schenking een steeds belangrijkere rol spelen. Deze trend heeft zich tot in de 21e eeuw voortgezet.
Tegenwoordig geldt de Museummedaille als onderscheiding voor mensen die zich – onbaatzuchtig en op uitzonderlijke wijze – verdienstelijk hebben gemaakt voor Nederlandse museale collecties in de samenleving. Hij wordt op voordracht uit de samenleving en na advies van de Raad voor Cultuur bij Koninklijk Besluit uitgereikt.

Het is mij een grote eer u te kunnen vertellen dat Zijne majesteit de Koning heeft besloten dat aan Martijn Sanders, als dank voor zijn uitzonderlijke verdienste ten behoeve van de Nederlandse museale collecties, de Museummedaille mag worden uitgereikt.

Dankwoord Martijn Sanders

‘Op het gymnasium in Schiedam gingen wij een paar keer per jaar op excursie naar het plaatselijke stedelijke museum. Daar zaten we dan ademloos te luisteren naar de legendarische Pierre Janssen die in die tijd zijn fameuze programma Kunstgrepen op de toen nog zwart-wit-televisie presenteerde.

Mijn vader was een grote vriend van dat museum, en voor de eerste en ik denk ook de laatste keer, maakte ik van die relatie gebruik om een zomerbaantje te versieren. Zo bevond ik mij als 16-jarige in de verste hoek van de directiekamer van het museum. Ik mocht daar de oude geweren in het vet zetten en soms ook plaatjes uitzoeken voor de lezingen van de heer Janssen. Aan het eind van die paar prachtige zomermaanden ontving ik als beloning een Prisma pocket. Ik was daar toen net zo blij mee als nu met de Museumpenning.

Is daar misschien mijn liefde voor het museum begonnen? Als student in Rotterdam kwam ik vaak in Boijmans, en ging daar altijd naar de kleine Geertgen tot Sint Jans kijken. Ik snoof die eigenaardige museumlucht op die ik nog steeds in dat prachtige museum meen te kunnen ruiken. Volgens mij werkt die verslavend. Na mijn studie meldde ik me dan ook bij de toenmalige directeur Ebbinge Wubben die mij de baan van zakelijk directeur aanbood. Als ik mij toen niet voor militaire dienstplicht had moeten melden denk ik dat ik vandaag bij u in de zaal gezeten had in plaats van nu op het podium te staan.

Ik ga geen museale autobiografie opdreunen, maar belijd hier wel mijn liefde voor de museumsector. Ik bewonder de mensen die in die instituten werken voor een vooral immateriële beloning. Vergeeft U mij, mevrouw de Minister, als ik opmerk dat zij meer tijd kwijt zijn aan subsidieperikelen dan dat men aandacht kan besteden aan studie naar de collectie. Want weet U, zonder de kennis daarvan heeft een museum geen ziel meer, en wij dus geen collectief verleden.

Dat er in Nederland, waar een gemiddeld museum nauwelijks budget heeft voor aankopen, toch een actief verzamelbeleid gevoerd kan worden is met name te danken aan particuliere steun van vooral de loterijen en, ik zeg het niet zonder trots, de Vereniging Rembrandt.

Actieve en gemobiliseerde particulieren doen gelukkig een stevige duit in het zakje. We mogen, ondanks de gulle en uitzonderlijke overheidsbijdrage voor de gedeelde aankoop van Marten en Oopjen, niet uit het oog verliezen dat er nauwelijks een publieke geldpot is om stukken die op de lijst van beschermd erfgoed staan voor Nederland te behouden als de eigenaar besluit die te verkopen. En waar nu nog een beroep op de particulier gedaan kan worden, horen we alsmaar geruchten dat de Geefwet na korte tijd alweer afgeschaft gaat worden. Ik ben van mening dat dat een ramp zou zijn.

Dames en heren en vooral mevrouw de Minister, ik dank U voor deze grote eer, en zal de Museumpenning zeker koesteren, maar zonder zorgen ben ik niet. Ik doe een beroep op U allen waakzaam en werkzaam te zijn, opdat wat wij en onze voorouders aan erfgoed bijeengebracht hebben ook voor volgende generaties behouden, bestudeerd en uitgebreid zal worden.

Ik dank U.’