.


 

 

Specialisatie was al vroeg een van de kenmerken van de Hollandse kunst. De onderscheiden genres, zoals landschap en stilleven, waren aanvankelijk niet meer dan bijwerk uit de religieuze kunst dat verzelfstandigd werd. En het door de tijd heen volgen van de specialismen die zo zijn ontstaan, is een van de meest voor de hand liggende manieren om de geschiedenis van de Hollandse schilderkunst in kaart te brengen. Pieter  van  Anraadt  (ca.1635–1678),  Stilleven  met  stenen  kruik en pijpen,  1658. Den  Haag,  Mauritshuis.Daarmee wil niet gezegd zijn dat iedere kunstenaar een specialist was, of dat het ene stilleven dat een portretschilder als Van Anraadt maakte geen meesterwerk kan zijn (1). Maar om de algemene ontwikkeling van de Hollandse schilderkunst te schetsen, is een indeling in genres helemaal zo gek nog niet.


Het overzichtAnoniem,  Zuid  Nederlands,  Stilleven  met  wasgerei  en  boeken,  ca.  1475. Rotterdam, Museum  Boijmans  Van  Beuningen.

Om te beginnen werden daarom een stuk of dertig stillevens bijeengebracht, van een vijftiende-eeuws paneeltje met een schenkkan, bekken en handdoek, dat hoort bij een voorstelling van Maria en kind en bedoeld was om op de reinheid van Christus’ moeder te wijzen, tot en met een filmpje van Ger van Elk, waarin te zien is hoe een cactus wordt geschoren (2, 3).

Ger  van  Elk  (*1941),  The  well-shaven  cactus,  1970  (still  uit  video). Amsterdam, Stedelijk  Museum.Het Hollandse stilleven piekte in de zeventiende eeuw, toen er een hele reeks verschillende specialismen werd ontwikkeld: de een legde zich toe op het schilderen van bloemen en vruchten, de ander schilderde gedekte tafels, een derde bracht voorwerpen in beeld die herinneren aan de dood. Floris  van  Dijck  (1575 – 1651),  Gedekte  tafel  met  kazen en  fruit,  ca.  1615. Amsterdam, Rijksmuseum.Toen rijkdom meer werd dan een overvloed aan kaas en boter, ontstonden de zogenaamde
pronkstillevens, afbeeldingen van onbegrensde rijkdom, tevens staalkaarten van moeilijk na te bootsen materialen. Hard en zacht, glanzend en dof: geen zee ging onze kunstenaars destijds te hoog en het  overwinnen van zulke moeilijkheden was kennelijk een sport (4, 5).Jan  Davidsz  de  Heem  (1606 – 1683/84),  Pronkstilleven  met  fruit  en  een  juwelenkist,  ca.  1650-55.  Den  Haag, Mauritshuis.

Maar schilderijen die alleen maar virtuoos zijn, gaan op den duur vervelen. En andere bezwaren zijn er ook, want een perzik op een zilveren schaal zou ook in werkelijkheid gepast zijn, maar wat doet een haring daar nu bij, en wie legt er nu vis op een stuk fluweel? Willem  van  Aelst  (1627 – 1683),  Pronkstilleven  met  nautilusbokaal,  vis,  kreeft  en  perziken,  1661.  Schwerin,  Staatliches  Museum. Zeker een bende in de keuken van die schilder, meende een van zijn tijdgenoten al (6).

Kritiek dus op het nabootsen van allerhande spullen alleen ter wille van de kunst, en een verlangen naar aannemelijkheid ook, gekoppeld aan een ander idee van schoonheid en betekenis bovendien. Zinvolle arrangementen van wat gaaf en kostbaar is: dat was voortaan de regel. Prachtige bloemen en exotische vruchten, een arrangement van muziekinstrumenten of de rekwisieten van een geleerde desnoods, passend als decoratie in een studeervertrek.Voorbij is de tijd waarin kaas en boter en lekkere noten rijkdom waren, achterhaald is ook een kunst die alleen maar laat zien hoe knap zij is.Pieter  van  Noort (ca. 1620 – 1672),  Vijf  scholletjes,  1621 (?). Dordrechts  Museum. En wie naar dooie vis wil kijken, die moet maar naar de markt – schreef Gerard de Lairesse, toonaangevend theoreticus op het einde van de zeventiende eeuw in Amsterdam (7).

En zo werd het stilleven van zijn scherpte beroofd en succesvol maar saai. Tot in de porseleinfabrieken van Sèvres kwamen de Hollandse bloemschilders te werken, en ook nu nog worden er miljoenen voor een Van Huysum betaald. Een kopie bestellen op internet kan ook: voor een paar honderd euro hebt u het monster binnen enkele weken in huis. Echt olieverf! Van Huysum doet nog altijd mee (8).Jan  van  Huysum  (1682 – 1749),  Stilleven  met  bloemen,  1723.  Amsterdam, Rijksmuseum.Vincent  van  Gogh  (1853 – 1890),  Schoenen,  1886.  Amsterdam, Van  Gogh  Museum.

Dat geldt trouwens ook voor de zo anders geaarde Van Gogh, die schoonheid juist in het
karakteristieke zag, in oude schoenen zelfs, en die een ziel gaf aan de spullen (9). Afbeelden was hem niet meer genoeg. Uitdrukking, daar ging het voortaan om. En dan, als een schilderij zijn ware aard van verf op een plat vlak niet langer mag verloochenen, blijkt het stilleven nog steeds en wederom van de partij – omdat het ook voortreffelijk bleek te kunnen functioneren als compositie zonder meer. Vanuit het stilleven bleek abstractie bij uitstek mogelijk, al lieten het verlangen naar illusie en expressie zich niet voorgoed verjagen: op Mondriaan volgde Ket (10, 11). Meer recent was er dan ook nog de ironie van de conceptueel, die een cactus van het type grijsaard scheert (12).

Piet  Mondriaan  (1872 – 1944),  Stilleven  met  gemberpot  I,  1911-12.  Den Haag, Gemeentemuseum.Dick  Ket  (1902 – 1940),  Sint  Nicolaasstilleven,  1933.  Arnhem, Museum  voor  Moderne  Kunst.

Iets over smaak en de gemaakte keuze

Mijn oorspronkelijke selectie van toen nog dertig Hollandse stillevens legde ik voor aan een groep studenten – om te zien of zij de door mij geschetste ontwikkeling uit mijn keuze
konden destilleren, maar ook om te kijken of zij mij
konden helpen nog eens tien stillevens van mijn shortlist af te krijgen. En ja hoor, de Van Elk, die moest eruit.Ger van Elk (* 1941), The  well-shaven  cactus,  1970  (still uit video).  Amsterdam, Stedelijk Museum. Totale eensgezindheid.  Ik protesteerde, en vertelde dat zijn werk voor mij in de jaren zeventig echt iets had betekend. Van Elks diaserie waarin het sprookje van Paul Klee’s Um den Fisch wordt opgegeten, dat vond ik destijds echt een vondst (13).

Te flauw voor woorden, was hun oordeel nu: die man moest weg. Van Huysum daarentegen had de stemming overleefd – hoewel zijn kunst als slap en tuttig werd omschreven. Ger  van  Elk (* 1941),  Paul  Klee – Um den Fisch,  1926,  1970  (diaprojectie).  Amsterdam, Stedelijk  Museum.Daarop aangesproken, meende een van de studenten: die Van Huysum, dat is de achttiende eeuw, en die is nu eenmaal zo. Maar die Van Elk, daar valt nog wel wat aan te doen. Dat is dus canonvorming in een notendop.

De 22 stillevens die ik hier nu presenteer, zijn alle gekozen uit het Nederlands openbaar kunstbezit, en het was mooi te zien dat zij uit tien verschillende musea afkomstig zijn en dat bijna de helft van die uitverkoren werken met steun van de Vereniging Rembrandt is aangekocht. Honderd jaar geleden
waren er nog maar vier van deze schilderijen in een Nederlands museum opgenomen; nu is het moeilijk kiezen uit de rijkdom die daar is vergaard.

Vereniging Rembrandt Lees verder