Johannes Torrentius (1589-1644)

Emblematisch stilleven met kan, glas, kruik en breidel, 1614, 52 x 50,5 cm.

Amsterdam, Rijksmuseum (sinds 1918)


Zo formidabel is de techniek die Torrentius heeft aangewend in zijn Stilleven, dat zijn leeftijdgenoot Constantijn Huygens zich afvroeg of de schilder hier misschien gebruik had gemaakt van een  zogenaamde camera obscura – een instrument dat Torrentius desgevraagd zei niet te kennen. Zelf zou hij hebben opgeschept dat er geen schildersezel of penseel aan zijn werk te pas kwam, maar een andere wetenschap, die er op magische wijze voor zorgde dat het op de grond gelegde paneel beschilderd werd. Als hij zo’n gerucht werkelijk in omloop heeft gebracht, had hij dat beter niet kunnen doen, want zijn tijdgenoten dachten vervolgens dat zijn saecken nyet goddelijck noch menschelyck scheenen te wesen. Met andere woorden: dit was duivelskunst.

Omdat al het overige werk van Torrentius verloren is gegaan of moedwillig is vernield na zijn veroordeling wegens ketterij in 1628, staat dit Stilleven nu volledig op zichzelf. Bijzonder is de vorm, want ronde stillevens zijn heel zeldzaam, bijzonder is het perspectief, dat de toeschouwer vraagt om er van onderaf tegenop te zien, en bijzonder is het volledig ontbreken van een zichtbare penseelstreek en het opzettelijk enigszins onscherpe beeld, dat Huygens op het idee van de camera obscura bracht. Ook bijzonder is, dat het werk als een zinnebeeld moet worden gelezen en een oproep tot de matigheid bevat.

 

Wat buten maats bestaat, int onmaats q[u]aat verghaat, schreef Torrentius als tekst bij de muziek, die hij op het papier onderaan zijn compositie noteerde, en alle beeldelementen bevestigen dat het daarom zaak is maat te houden. Het glas in het midden behoort te worden gevuld uit de tinnen kan en de aardwerken kruik – waarbij de wijn uit de kan moet worden aangelengd met water uit de kruik. De breidel die erboven hangt, is gemaakt om een paard in toom te houden. Ook nu nog kennen wij de spreekwoordelijke oproep om water bij de wijn te doen, en ook nu nog spreken wij van – bijvoorbeeld – ongebreidelde lust. Twee pijpen met de kop omlaag markeren de plaats van het glas op de rand van het schap. Het staat met de voet iets naar voren, en werpt zijn prachtig geobserveerde schaduw over het papier met de dreigende tekst.    

De ironie wil, dat Torrentius in zijn eigen leven juist helemaal geen vriend van de matigheid schijnt te zijn geweest en dat hij daar een verschrikkelijke prijs voor heeft betaald. Hij geloofde volgens zijn belagers niet in hemel en hel, noemde de bijbel het boek der sotten en was een enthousiaste hoerenloper. Zijn triniteit bestond uit wijn, tabak en meisjes, hij droeg opzichtige kleren en liet zijn haar verzorgen door vier jongens die hem blijkbaar sire noemden. Dat alles werd de Haarlemse autoriteiten teveel. De schilder werd opgepakt en bij het verhoor zo zwaar mishandeld, dat hij de rechtszaal moest worden ingedragen. De deels zeer machtige vrienden die hij had konden hem niet redden en zelfs stadhouder Frederik Hendrik kreeg hem niet vrij. Toen Koning Karel I van Engeland hem echter asiel aanbood, had dat effect en mocht de fysiek gebroken Torrentius naar Londen.

Koning Karel was toen al eigenaar van ons schilderij, maar hij had ook een drietal andere, nu niet meer bekende werken van de schilder. Uit hun onderwerpen blijkt, dat Torrentius ook in de pornografie bedreven was – want een schilderij met een vrouw pissing in a man’s ear, dat komt niet uit mythologie of bijbel. Joost mag weten wat hij nog meer aan zijn rijke vrienden heeft geleverd.

Vereniging Rembrandt Lees verder