Ambrosius Bosschaert (1573-1621)

Glas met bloemen in een venster, ca. 1618, 64 x 46 cm.

Den Haag, Mauritshuis (sinds 1903)


Het stenen kader waarin Bosschaert zijn glas met bloemen als op een vensterbank heeft geplaatst, biedt niet alleen uitzicht op een stralend blauwe lucht als achtergrond voor de vele bonte kleuren van het door hem zo nauwkeurig  geschilderde boeket, maar ook een blik op een uitgestrekt en vele malen lager gelegen landschap. Het is bijna alsof Bosschaerts bloemen op de drempel van de wereld staan. Naar het leven is die opstelling allerminst gedaan, net zo min als het nagenoeg symmetrische arrangement van de bloemen, die de schilder uit alle seizoenen heeft verzameld. Toch wordt deze verregaande onnatuurlijkheid door de zorgvuldige weergave van de wel dertig verschillende soorten tot op zekere hoogte verhuld. Want het bloemstuk dat Bosschaert schilderde mag dan nooit hebben bestaan en ook onbestaanbaar zijn, de daarin afgebeelde bloemen zijn zeker gebaseerd op naar de natuur getekende of geschilderde studies, die de kunstenaar in zijn atelier zal hebben bewaard om telkens opnieuw – en in ieder seizoen – te gebruiken.

Bosschaert behoorde met zijn ouders tot de tienduizenden emigranten die de Zuidelijke Nederlanden na 1585 – in de woorden van de dochter van de kunstenaar – om de relisie wille hadden verlaten. Zij kwamen uit Antwerpen, de stad waarvan het inwonertal na de inname door Alessandro Farnese
door emigratie werd gehalveerd, en vestigden zich in Middelburg, dat zijn bevolking toen juist verdubbeld zag en daar geweldig van profiteerde. De latere schilder was destijds een jaar of veertien, vijftien, en het is niet duidelijk wie hem heeft opgeleid. Wel is zeker, dat zijn werk veel gemeen heeft met dat van de vijf jaar oudere Jan Breughel uit Antwerpen (1).
Jan  Breughel  (1568 – 1625),  Wan-Li  vaas  met  bloemen,  ca.  1610 – 1615.  Den  Haag,  Mauritshuis.

Maar in tegenstelling tot Breughel maakte Bosschaert van het schilderen van bloemen zijn specialisme, waar hij rijk en beroemd mee werd. Voor zijn laatste werk, in 1621 voor een functionaris aan het hof van Prins Maurits geschilderd, kreeg hij – wederom volgens zijn dochter – duizend gulden. Dat was toen een vermogen.

Bloemstillevens waren, net als stillevens met fruit, van begin af aan zeer gewild bij de hoogste Europese adel en dat zou nog lang zo blijven. Later in de zeventiende eeuw werkten meesters als Van Aelst en Rachel Ruysch met veel succes voor verschillende buitenlandse hoven, en de achttiende-eeuwse bloemschilder Van Huysum was de bekendste Hollandse kunstenaar van zijn tijd.
Ook de vroegste Hollandse bloempotkens van Jacob de Gheyn waren, net als het meer bekende werk van Jan Breughel en Roeland Savery, een Europees succes. Interessant is, dat zelfs de theoreticus en kunstenaarsbiograaf Van Mander, historieschilder van beroep, een blompot met allerhande wilde bloemen heeft geschilderd. Dat moet iets te maken hebben gehad met de vorstelijke belangstelling voor zulke schilderijen met veelal kostbare en zeldzame bloemen, en misschien ook met de wetenschappelijke interesse in de botanie.

Voor wie de latere Hollandse bloemstillevens kent, lijkt Bosschaerts Glas met bloemen misschien naïef, maar die eenvoud bedriegt. Hij schilderde bepaald geen veldboeket, en legde niet voor niets twee heel bijzondere schelpen uit de Indische Oceaan naast zijn uitgelezen bloemen. Sommige van die bloemen waren toen nog maar sinds kort in Europa bekend, zoals het zogenaamde afrikaantje, dat in de zestiende eeuw uit Mexico was geïmporteerd. En de spectaculaire opmars van de tulp – recent gearriveerd uit het tegenwoordige Turkije – was nog maar net begonnen.

Vereniging Rembrandt Lees verder