Floris van Dijck (1575-1651)

Gedekte tafel met kazen en fruit, ca. 1615, 82,2 x 111,2 cm.

Amsterdam, Rijksmuseum (sinds 1982)


Hollandser dan Floris van Dijcks Gedekte tafel kan een stilleven moeilijk zijn. De karakteristieke kazen, waaronder een herkenbare oude Goudse en een groene Edammer, de frisse appels en de lekkere noten: het lijkt wel een hulde aan de welvaart van de jonge Republiek. Toch lagen Van Dijcks artistieke wortels en oorspronkelijke ambities waarschijnlijk elders. Caravaggio  (1573 – 1610),  Fruitmand,  ca.  1595.  Milaan,  Pinacoteca  Ambrosiana.Hij had in Rome gestudeerd, in hetzelfde atelier en op hetzelfde moment als Caravaggio, die daar bij dezelfde meester zijn eerste en enige stilleven heeft gemaakt. Mooie appels met bedrieglijk echte plekjes vinden wij ook daar (1).

Of Caravaggio’s Fruitmand iets heeft losgemaakt bij de jonge Van Dijck valt niet met zekerheid te zeggen, maar naar het werk en het repertoire van zijn Antwerpse collega Clara Peeters heeft hij zeker goed gekeken (2), en exclusief Hollands was zijn specialisme niet. Clara  Peeters  (ca.  1580 – 1590),  Stilleven  met  kazen,  amandelen  en  krakelingen,  ca.  1615.  Den Haag, Mauritshuis.Specialisme is hier trouwens wel het juiste woord, want deze pionier van het stilleven in de Noordelijke Nederlanden schilderde zijn leven lang gedekte tafels en werd ook juist om deze
schilderijen al in zijn eigen tijd geprezen – omdat zij den kenners leckerder waren dan alle leckernij.

Kaas, appels en noten, maar ook olijven en druiven, met Chinees porselein en een kan van Rijnlands steengoed zorgvuldig uitgestald op roze en wit damast: wie hier aan eenvoud in plaats van rijkdom denkt, heeft het niet goed begrepen. Evenmin eenvoudig was Van Dijcks formidabele stofuitdrukking, al zou het door hem gekozen hoge gezichtspunt en het vermijden van overlappingen op zijn gedekte tafels al door de volgende generatie stillevenschilders worden vervangen door andere vormen van perspectief en meer ingewikkelde composities. Ook de betrekkelijke bontheid verdwijnt dan uit de banketjes en maakt plaats voor een palet van overwegend bruin en grijs – voor toon in plaats van kleur.

Er is veel gespeculeerd over de vraag of Van Dijcks stillevens wellicht ook een boodschap bevatten, dat wil zeggen, of zij misschien iets meer willen zijn dan een gelukkig beeld van leckernij. Zou het hem en zijn kopers misschien te doen zijn geweest om met zijn steevast herhaalde kazen de nationale rijkdom te vieren of zelfs om met die kaas te verwijzen naar de eucharistie, omdat Christus in een ongelukkige metafoor van een antieke theoloog als hemelse melk was omschreven en kaas dus wel eens de hemelse spijze zou kunnen zijn? Of zou Van Dijck met zijn rijk gedekte tafels misschien hebben willen oproepen tot matigheid?

Het antwoord op al die vragen lijkt mij: neen, al kan nooit helemaal worden uitgesloten dat een zeventiende-eeuwse bestuurder zal hebben gepocht op de bereikte welvaart bij het zien van al dit goeds, terwijl een geestelijke het misschien liever een beetje hogerop zocht. Maar nergens dwingt het voorgestelde tot zulke speculaties. Wel valt er iets anders op, en dat is ook in Van Dijcks eigen tijd al opgemerkt. Hij schilderde nooit vlees of vis, en de elders zo dikwijls afgebeelde ham of kreeft zoeken we bij hem tevergeefs. Die eigenaardigheid werd al in 1610 vermeld in een Latijns gedichtje onder een portret van de meester, dus dat schilderen van rijke tafels sine sanguine, dat wil zeggen: zonder bloed, moet ook destijds iets bijzonders zijn geweest. Vegetariërs in de moderne zin van het woord kende men toen nog niet, maar dat sommige wijzen in de oudheid en in India geen dode dieren aten, was bekend – dus wie weet wat Van Dijks persoonlijke bijgedachten zijn geweest.

Vereniging Rembrandt Lees verder