Adriaen van Nieulandt (ca. 1587-1658)

Vanitas, 1636, 40 x 37,2 cm.

Haarlem, Frans Hals Museum (sinds 1955)


Hoewel de schedel op dit schilderij vrij duidelijke taal spreekt, heeft de kunstenaar toch geen risico willen nemen met de betekenis van het voorgestelde. Hij hechtte een papiertje op de steen onder het doodshoofd met de Latijnse tekst: Ecquid sunt aliud / quam breve gaudium – oftewel: Wat zijn deze dingen anders / dan een korte vreugd? En inderdaad, de vraag stellen is haar beantwoorden, want onder en voor de schedel en het bot ernaast heeft Van Nieulandt  bloemen geschilderd die al gedeeltelijk zijn uitgevallen, een vlinder ook, en kostbaarheden zoals een gepolijste paarlemoeren schelp, wat munten en twee parels. Rechts in beeld ligt een stapeltje boeken. Op één daarvan signeerde en dateerde de kunstenaar zijn werk, en uit het onderste laat hij een papier met opschrift steken, dat ons in het Frans eraan herinnert dat wij moeten sterven om te leven: mourir pour vivre. Zo is er dus toch nog hoop.

Schilderijen van dit type waren in de jaren dertig van de zeventiende eeuw zeer gewild, maar naarmate de welvaart toenam lijkt het net alsof men het gedenk te sterven niet meer zo duidelijk uitgesproken wilde zien. Er werden nog wel zogenaamde vanitas-stillevens geschilderd, maar voorstellingen met schedels en botten verloren aan terrein.
Het vanitas vanitatum, omnia vanitas, het IJdelheid der IJdelheden en alles is ijdelheid van Koning Salomo, zoals opgetekend in het boek Prediker, kon de zeventiende-eeuwse liefhebber in zijn meest krasse vorm blijkbaar niet meer zo bekoren (1). Salomo’s gedachte dat de doden beter af zijn dan de levenden, zal menigeen die het destijds voor de wind ging misschien te somber zijn geweest.

Adriaen  Coorte  (werkzaam  1683 – 1707),  Stilleven  met  een  schedel  in  een  nis,  1688.  Middelburg,  Zeeuws  Museum.

Van Nieulandt, een van een drietal schilderende broers van Vlaamse afkomst, heeft voor zover bekend maar twee of drie stillevens gemaakt. Hij experimenteerde in verschillende meer ambitieuze genres en stijlen, maar een eigen vorm lijkt hij in deze verhalende schilderijen nooit te hebben gevonden: alles wat hij doet is eerder en elders beter gedaan. Des te verrassender is deze Vanitas, die zonder zijn signatuur waarschijnlijk nooit als een werk van Van Nieulandt zou zijn herkend. Ook dit schilderij heeft weliswaar een onbeholpen kant, met die centraal geplaatste schedel, die over een hele optocht van afzonderlijk opgestelde spullen waakt, maar het is ook (of juist daardoor) een sterk en confronterend beeld. Had de schedel nog een onderkaak, hij zou bij wijze van spreken grijnzen. 


Wie dat al te gortig is en wie de christelijke boodschap van een leven na de dood op Van Nieulandts schilderij graag versterkt zou willen zien, kan zich afvragen of de afgebeelde vlinder niet naar de opstanding verwijst, omdat hij immers als rups moet sterven om te (kunnen) leven. Maar helaas, bij de bloemen en andere vergankelijke zaken past hij ook, kortlevend als zijn schoonheid is. Wij zullen dus nooit weten of de schilder de vlinder als een hoopvol vooruitzicht heeft bedoeld en kunnen daar alleen maar over speculeren.

Blijft de vlieg die op het doodshoofd zit: wat zou zij daar doen? Zij deugt niet, nooit zelfs, dat is zeker, maar wie haar probeert weg te slaan, bewijst vooral dat Van Nieulandt zijn vak (en die oude grap) verstond.

Vereniging Rembrandt Lees verder