Jan Davidsz de Heem (1606-1683/84)

Pronkstilleven met fruit en een juwelenkist, ca. 1650-55, 94,7 x 120,5 cm.

Den Haag, Mauritshuis (Collectie Willem V)


De Heem heeft in zijn Pronkstilleven een purperen gordijn opgetrokken om een overvloed aan fruit en kostbaarheden te onthullen – en meer in het bijzonder om ons te laten genieten van zijn zo goed als onbegrensde kunnen. Paarlemoer of blauw fluweel met een rand van gouddraad afgezet, De Heem draaide er zijn hand niet voor om. Het vruchtvlees van een aangesneden citroen, van een geopende meloen of een granaatappel, maar ook van een nog onvoldoende rijpe perzik – hij kon het  allemaal prachtig verbeelden, en werd dan ook tijdens zijn leven al geprezen om de manier waarop zijn kunst niet alleen de ogen verleidt, maar ook tot smaeck verweckt. Op dit schilderij geldt dat misschien nog wel het meest voor de verschillende soorten druiven, strak van het sap in hun bewasemde schil gevangen, en heel toepasselijk uitgestald voor glazen met rode en witte wijn.

Mogelijk heeft De Heem met die zo prominent gepresenteerde druiven achter een gordijn willen laten zien, dat hij niet onderdeed voor twee van de beroemdste schilders uit de klassieke oudheid, Zeuxis en Parrhasios. Die twee hadden allebei geprobeerd het meest bedrieglijke schilderij ooit te maken, en Parrhasios meende die wedstrijd te hebben gewonnen, toen de vogels afkwamen op de druiven die hij had geschilderd. Maar Zeuxis overtroefde hem met een zó knap
geschilderd gordijn, dat Parrhasios zelf het tevergeefs probeerde opzij te schuiven. Een verwijzing naar dit antieke verhaal is te vinden in de eerste, in 1661 gepubliceerde biografie van Joannes De Heem, fruyt-schilder van Uytrecht, waarin wordt gezegd dat als De Heem of zijn zoon Cornelis een muur zouden beschilderen met eenen wijngaert met haer rijpe muscadellen ghelijck ten tijde van Parasius ende Zeuxis [was gedaan], de vogels zich waarschijnlijk ook bedroghen [zouden] vinden meynende dat het leven waer – dat wil zeggen, dat wat zij zagen echt was. 

Frans  Snijders  (1579 – 1657),  Stilleven  met  een  jager,  ca.  1615.  Den  Haag,  Mauritshuis.De in Utrecht geboren en in Leiden opgegroeide De Heem was als twintiger naar Antwerpen gegaan, en ontdekte daar in het spoor van Frans Snijders en andere Vlaamse schilders de mogelijkheden van het rijke, en vooral ook meer kleurige stilleven (1). Dat betekende een enorme stijlbreuk met zijn eerdere werk, dat nog geheel geworteld was in de toenmalige Hollandse traditie van het bescheiden onderwerp in een zo goed als kleurloos palet.Jan  Davidsz  de  Heem  (1606 – 1683 / 84),  Stilleven  met  boeken  en  een  viool,  1628.  Den  Haag,  Mauritshuis.   Sterker nog, als De Heem zijn vroege werk niet had gesigneerd, zou men nooit raden dat hij daarvan de maker was (2).

De Heem had veel en ook internationaal succes, en bleef een jaar of dertig in Antwerpen voordat hij weer noordwaarts trok en zich in Utrecht vestigde – om vervolgens met zijn Antwerpse vrouw terug naar Antwerpen te gaan toen de Franse troepen in 1671 de Republiek binnenvielen. Hij was toen al 65 jaar, maar zijn kunst was nog op haar best en uit de mode raakte zij evenmin.

Het is heel toepasselijk dat dit schilderij behoort tot de schaarse stillevens uit de oorspronkelijke kern van de verzameling van het Mauritshuis, de collectie van stadhouder Willem V. Vorsten zoals hij hadden doorgaans weinig belangstelling voor stillevens, en als ze die al hadden, kochten ze alleen het kunstig, kragtig en aangenaam geschilderde werk, zoals de stijl van deze Heem in de catalogus van 1770 werd getypeerd. Wat de voorstelling betreft ging het hen om pronkstillevens, om bloemen en fruit, of om de buit van de jacht. Dat was in Den Haag niet anders, waar andere soorten stillevens pas later, en vaak pas in de afgelopen vijftig jaar, in de verzameling van het Mauritshuis zijn opgenomen.

Vereniging Rembrandt Lees verder