Willem van Aelst (1627-1683)

Stilleven met gevogelte, 26 mei 1658, 96 x 79 cm.

Amsterdam, Rijksmuseum (sinds 1895)


Willem Kalf wordt vaak gezien als de grootste stillevenschilder uit de Hollandse zeventiende eeuw, maar de tegenwoordig wat minder bekende Willem van Aelst deed zeker niet voor hem onder. Kalf modelleert met licht, en zijn techniek doet in zijn beste werk een beetje denken aan Vermeer. Van Aelst schildert met een precisie die zich met de beste fijnschilderkunst kan meten – maar denkt daarbij altijd groot. Zijn composities hebben allure, terwijl er toch geen detail door hem verwaarloosd wordt. Voelbaar harde veren en ook voelbaar zachte veren hebben zijn vogels, deels nauw op de huid gelegen, deels een beetje losgewoeld. Er is in dit schilderij veel wit op wit, maar ook veel kleur in de verentooi van de dode haan, met die schitterend geobserveerde slappe kam, tevens sprekend rood  voor het diepe blauw van de vleugel erachter. En onder de opgehangen vogels, zacht en weerloos in hun dood, is er koel, glad marmer.

Van Aelst moet een bijzondere jongen zijn geweest. Hij was met zestien jaar al lid van het gilde in Delft, ging op zijn zeventiende naar Parijs, en van daaruit vijf jaar later, in 1651, naar Florence. Net als zijn collega Kalf ontdekte hij in Parijs dat de grootste verzamelaars van Europa wel belangstelling hadden voor Hollandse stillevenschilders, maar niet voor hun eenvoudige repertoire. De perfecte nabootsing van
kostbaarheden daarentegen viel bij deze elite wèl in de smaak, net als schilderijen met dood wild, en stillevens met bloemen en vruchten. En Van Aelst, met zijn fabelachtige techniek, kon al dat begerenswaardigs schilderen als geen ander. Daarbij gebruikte hij de beste materialen, waaronder het zeer gewilde ultramarijn – het meest duurzame helder blauw, een kleurstof waarvan maar een gram of twintig kon worden gewonnen uit een kilo van de schier onbetaalbare lazuursteen (1).

Willem  van  Aelst  (1627 – 1683),  Bloemstilleven  met  horloge,  1663.  Den  Haag,  Mauritshuis.

Vanuit Florence, waar hij werkte voor twee broers uit de familie Medici, ging Van Aelst in 1653 door naar Rome. Daar sloeg hij tijdens een handgemeen bijna een Fransman dood, moest vluchten, en keerde terug naar Florence, waar hij desondanks nog welkom was. Maar in 1657, na een kort oponthoud in Venetië, hield hij het in Italië toch voor gezien en vestigde zich in Amsterdam. Trots op zijn Italiaanse jaren, signeerde Van Aelst zijn werk voortaan als Guillelmo (in plaats van Willem) van Aelst. Hij maakte ook in Holland fortuin, maar gold er als een losse knaap, met wie zijn keurige collega Van Oosterwijck desgevraagd niet wilde
trouwen. Die geschiedenis werd uit betrouwbare bron opgetekend door de kunstenaarsbiograaf Houbraken, die ook met verbazing vertelt over een ruzie tussen de kunstenaar en de puissant rijke Johan Huydecoper, waarbij Van Aelst deze burgermeester zou hebben toegevoegd: Gy zyt met een geldzak om uw hals geboren, en dat is ’t al; maar dat ik ben, ben ik door verdienste.

Van Aelsts kunst verraadt niets van zijn opvliegende en grofgebekte natuur. Hij schildert glad, en wat hij schildert suggereert voorname rijkdom en perfectie. In de loop van de negentiende eeuw, toen de oude Hollandse kunst vooral om haar eenvoud en de eigentijdse schilderkunst steeds meer om haar zichtbare toets werden gewaardeerd, daalde zijn ster dan ook navenant. Wie hem wil leren kennen, moet eigenlijk naar Florence, waar hij op zijn best is te zien – en met een stuk of tien  schilderijen, tegen twee of drie in Nederlands openbaar bezit. Ook de eerste grote tentoonstelling, die in 2012 in Washington en Houston aan Van Aelst werd gewijd, ging aan Nederland voorbij.

Vereniging Rembrandt Lees verder