Willem Kalf (1619-1693)

Stilleven met roemer, 1659, 49,9 x 42,4 cm.

Den Haag, Mauritshuis (sinds 1957)


Het effect van zonlicht op onderscheiden materialen in een betrekkelijk donkere omgeving: dat moet Kalf geweldig hebben geboeid. Toen hij zijn vorm eenmaal gevonden had, schilderde hij dan ook graag betrekkelijk eenvoudige composities, variaties op een thema haast, waarin een beperkt aantal kostbaarheden is te zien, dat licht vangt voor een zo goed als zwarte achtergrond – licht, dat naar gelang de aard van de objecten steeds iets anders doet. Het gladde Chinese porselein reflecteert op een koele manier en glanst, glazen die licht vangen lijken daarentegen dun en hard, hoe kwetsbaar en teer zij ook mogen zijn. Het Perzische tapijt krijgt de warme, wat doffe toon van de wol waarvan het is gemaakt, maar de sinaasappel en vooral de citroen zijn minder bescheiden. Het alternerende geel en wit van de schil van de citroen wordt zelf bijna een lichtbron in de duistere ruimte.

Picturaal niet minder groot dan Titiaan en Giorgione, oordeelde Coypel, de machtige directeur van de Koninklijke Academie in Parijs aan het begin van de achttiende eeuw, alleen schildert Kalf – le Calfe – nu eenmaal geen grandes choses, geen zaken van betekenis, zoals de beide beroemde Venetianen. Later is Kalf wel met Vermeer vergeleken, en ook is er beweerd dat zijn liefde voor licht en donker op de kunst van Rembrandt terug moet gaan. De auteurs die Kalf in de buurt van zulke grote meesters plaatsen, bedoelen daarmee vooral te zeggen dat hij ook zelf een heel groot meester is.  

Willem  Kalf  (1619 – 1693),  Boerderij  interieur  met  vrouw  aan  karnton,  ca.  1642.   Rotterdam, Museum  Boijmans  Van Beuningen  (bruikleen  Stichting  Willem  van  der  Vorm).Toen de uit Rotterdam afkomstige Kalf dit stilleven schilderde, was hij al een jaar of vijftien aan het werk. Wie hem heeft opgeleid is niet duidelijk, wel dat een verblijf van een paar jaar in Parijs voor zijn ontwikkeling cruciaal was. Hij begon daar als schilder van kleine schilderijen met armoedige ruimtes in de boerderij of een stuk van een erf met veel potten en pannen, waarop doorgaans ook een of twee figuren zijn te zien. Zijn manier van schilderen is dan nog los en snel (1). Willem  van  Aelst  (1627 – 1683),  Stilleven  met  gevogelte,  26  mei  1658.  Amsterdam, Rijksmuseum. Dat verandert als hij stillevens met kostbare, vooral metalen voorwerpen gaat maken, kennelijk daartoe aangezet door dezelfde collega’s en handelaren die zich korte tijd later ook inzetten voor Willem van Aelst (2). Van een van die Parijzenaars is zelfs bekend, dat hij zestien werken van of naar Willem Kalf bezat.

Rond 1650 is Kalf terug in Nederland, en ontstaat in Amsterdam het werk dat hem beroemd zou maken – met verwonderlyk uitvoerig en natuurlyk geschilderd goud en zilverwerk, paarlemoer, horens [schelpen], en agate heften van messen, zoals de kunstenaarsbiograaf Houbraken zo aardig zegt. Zijn tekst, die in 1719 verscheen, leert ons overigens ook dat zulke stillevens inmiddels uit de mode waren, maar dat de kenners Kalf nog altijd zeer waardeerden. Ook Gerard de Lairesse was nog gevoelig voor Kalfs kunst – al ergerde hij zich als rechtgeaard classicist aan diens repertoire, omdat Kalfs schilderijen met een porcelyne pot of schaal, een goude bokaal, een fluit of roemer met wyn, en daar in een citroenschil hangende, […], opengesnedene chinaasappelen of citroenen, een tapyt, en diergelyke gewoonlyke dingen, voor zijn gevoel nergens over gingen en dus ook niets betekenden. De Lairesse had liever gezien dat Kalf iets van belang had voortgebracht, daar een byzondere zin in stak. In de afgelopen eeuw werd dat ontbreken van zulke byzondere zin juist weer geprezen, omdat zo’n stilleven genoeg heeft aan zichzelf. En inderdaad: geen verhaal of zinnebeeld staat bij Kalf de zuivere schilderkunst ooit in de weg.

Vereniging Rembrandt Lees verder