Samuel van Hoogstraten (1627-1678)

Trompe-l’oeil stilleven of Bedriegertje, 20 januari 1664, 45,5 x 57,5 cm.

Dordrechts Museum (sinds 1992)


Als de belangrijkste opgaaf van de schilder zou zijn de liefhebber het gevoel te geven dat hij niet naar een afbeelding kijkt, maar naar het afgebeelde zelf, dan is zijn kans van slagen verreweg het grootst met een stilleven – want hoeveel verhalen er ook al sinds de oudheid worden verteld over honden die blaffen tegen hun geschilderde evenbeeld, het leven nabootsen is zo eenvoudig niet. Met roerloze dingen valt wat dat betreft meer te bereiken, en vooral platte dingen op het platte vlak kunnen als afbeelding heel bedrieglijk zijn. Een speelkaart, geschilderd op een tafelblad: makkelijker kan haast niet. Toch zal menigeen er met bewondering naar kijken.

Samuel  van  Hoogstraten  (1627 – 1678),  Zelfportret  met  vanitas-stilleven,  1644. Rotterdam, Museum  Boijmans  Van  Beuningen.Samuel van Hoogstraten, die bij Rembrandt had gestudeerd om zich in het schilderen van figuurstukken en portretten te bekwamen (1), bekende in zijn traktaat over de schilderkunst uit 1678, dat het hem speet dat leken doorgaans het meest onder de indruk zijn van schilderijen of details in schilderijen die een kunstenaar hooguit voor zijn plezier zou moeten maken. En hij wist waar hij het over had, omdat het hemzelf als beginnend kunstenaar precies zo aan het hof in Wenen was gebeurd.


Van Hoogstraten was daar met een drietal staaltjes van zijn kunst naar toe gegaan: een portret, een voorstelling van Christus met de doornenkroon, en een stilleven. Zijn portret en historie werden welwillend ontvangen, maar het stilleven sloeg in als een bom en de keizer meende op grond van dat schilderij, dat Van Hoogstraten de eerste schilder was die hem had weten te bedriegen. Hij wilde het stilleven daarom ook graag houden, en gaf Van Hoogstraten er een gouden penning met zijn keizerlijke beeltenis voor. Had de kunstenaar rijk willen worden, schrijft zijn leerling Arnold Houbraken, dan had hij zich moeten toeleggen op dit soort kunst. Maar Van Hoogstraten had een te grooten geest om zich daar mee op te houden.

De geschiedenis heeft de keizer echter in het gelijk gesteld, en Van Hoogstratens tegenwoordige roem is nog steeds gebaseerd op schilderijen zoals dit brievenbord. Zo’n geschilderde illusie verveelt ook nu nog niet, en de geraffineerd op het platte vlak geschikte spullen hebben bovendien iets autobiografisch dat nieuwsgierig maakt. De gouden penning uit Wenen is erop te zien, elf jaar nadat Keizer Ferdinand III hem aan Van Hoogstraten schonk, maar ook een schaartje en een speldenkussen, een pennenmes, een veer om mee te schrijven en  een mooi gebonden boekje, een klein parelsnoer en een antieke gesneden steen. Het is alsof ons een blik wordt gegund op wat de kunstenaar en zijn vrouw in Londen bij zich hadden, op 20 januari 1664, de uitzonderlijk volledige datum die de schilder bij zijn signatuur op het schilderij heeft genoteerd. Het is bekend dat Van Hoogstraten ook daar tot de hoogste kringen probeerde door te dringen, en die keizerlijke onderscheiding zal daarbij zijn visitekaartje zijn geweest.

Grote geest of niet, in zijn huis in Dordrecht had Van Hoogstraten voor de grap allerlei geschilderd bedrog geïnstalleerd – er lag een beschilderde houten schoen onder een stoel, en voor in het bordenrek had hij een citroen gemaakt. Er waren zelfs gedroogde scholletjes, op doek geschilderd, uitgeknipt en her en der aan spijkers opgehangen. Ook dat was zeventiende-eeuwse kunst: net echt en daarom grappig. 

Vereniging Rembrandt Lees verder