Dirck de Bray (ca. 1635-1694)

Stilleven met een boeket in wording, 1674, 40,5 x 35,7 cm.

Den Haag, Mauritshuis (sinds 2011)


Een stilleven wordt in het Frans niet voor niets een nature morte genoemd, dat is: dode natuur. En wanneer de kunst nu juist wordt bewonderd om haar vermogen het leven te verbeelden, dan is het aanzien van een kunstenaar die alleen maar schildert wat niet beweegt en geen gevoelens uit, voorspelbaar laag. Daarom kwalificeerde Samuel van Hoogstraten de stillevenschilders in zijn Hooge schoole der schilderkonst uit 1678 ook als de gemeene – dat wil zeggen eenvoudige –  soldaeten in het veltleger van de konst.  

Des te interessanter is het bloemstilleven dat Dirck de Bray in 1674 heeft geschilderd, want het lukte hem daarin een onderbroken handeling te suggereren, alsof wij getuige zijn van het tot stand komen van een boeket. De bloemen op zijn schilderij hebben nog niet allemaal een plaats gekregen in de glazen vaas, en de stengels van de akelei en de beide narcissen zijn voor de uiteindelijke schikking waarschijnlijk nog te lang. De Bray laat een moment uit het leven van zijn bloemstuk zien, en bovendien: een blik achter de schermen. 

Die informaliteit draagt bij aan de beleving van zijn bloemstuk als iets dat ook in het echt had kunnen bestaan, net zoals de door hem gekozen combinatie van bloemen, die allemaal in het voorjaar bloeien en tegelijk hadden kunnen worden geplukt – al zouden zij nooit allemaal tegelijk hebben kunnen worden
geschilderd, want zo lang blijft zo’n arrangement niet fris.Jan  Davidsz  de  Heem  (1606 – 1683/84),  Vaas  met  bloemen,   ca.  1670. Den Haag, Mauritshuis. Wat dat betreft is De Bray’s Stilleven niet minder bedacht en artificieel dan de onwaarschijnlijke boeketten met verschillende bloemen uit alle seizoenen die zijn collega’s maakten (1). Maar zijn werk kwam het leven beduidend naderbij. 

Dat leven waar hij kennelijk op uit was, zit ook in de insecten die hij schilderde: het zweefvliegje boven de narcis lijkt net als in het echt onophoudelijk te bewegen, en de kwetsbaarheid van de vlinder op het blad van de anemoon is geweldig goed getroffen. Een koolwitje, een libel, een dikke rups met zachte haren, en dan – rechts boven – ook nog eens een spinnetje: het wordt bijna wat teveel. Maar de spin kwam alleen maar op De Bray’s schilderij, omdat de schilder daar een buts in zijn paneel moest camoufleren. Zoiets is wel weer geestig.

De Bray’s werk is vrij zeldzaam en toen hij in 1665 voor het eerst in het atelier van zijn broer Jan een schilderij dateerde, was hij al een jaar of dertig oud. Het lijkt dan ook alsof hij daar pas is gaan werken,  toen zijn beide ouders en hun vier andere volwassen kinderen tijdens de pest van 1663-64 waren
overleden. Tot dan toe had Dirck een jaar of tien in het boekenvak gewerkt, een traktaat over het boekbinden geschreven, en een aantal voortreffelijke houtsneden gemaakt. Net als zijn vader en de rest van de familie was hij belijdend katholiek, en in 1678 trad hij in een klooster in. Het schilderen, dat hij zo goed beheerste, moet voor hem niet meer dan een ambacht zijn geweest.

Vereniging Rembrandt Lees verder