Rachel Ruysch (1664-1750)

Vaas met bloemen, 1700, 79,5 x 60,2 cm.

Den Haag, Mauritshuis (sinds 1826)


Toen Rachel Ruysch in 1700 dit bloemstuk schilderde, was zo’n weelderig boeket tegen een donkere achtergrond bepaald niets nieuws. Haar leraar Van Aelst organiseerde zijn bloemstukken zo’n veertig jaar eerder ook al zo, en ook bij hem is te zien hoe een zekere zwier in het schikken van de bloemen kan worden gebruikt om de schoonheid van de overvloed te suggereren (1).Willem  van  Aelst  (1627 – 1683),  Bloemstilleven  met  horloge,  1663. Den Haag, Mauritshuis.Beide kunstenaars waren ongelofelijk knap in het maken van dit soort composities, waarin de meest uiteenlopende  vormen en niet altijd bevriende kleuren samengaan op een manier die het kunstmatige natuurlijk maakt. Voorbij is het statische en schijnbaar naïeve portretteren van individuele soorten bloemen, afgelopen ook de egale belichting uit de begintijd van het bloemstilleven zoals die bijvoorbeeld bij Ambrosius Bosschaert is te zien (2). Het is net alsof de onderscheiden bloemen nu ook in hun relatie tot elkaar worden getypeerd, alsof ze bij wijze van spreken kunnen worden herkend aan hun gedrag en karakter – aan de manier waarop hun stelen zich buigen en krommen en aan de houding die ze tegenover elkaar aannemen in het theater dat de schilder voor ze heeft gebouwd. Tulp en iris spelen elk hun
eigen rol in deze opera, de Ambrosius  Bosschaert  (1573 – 1621),  Glas  met  bloemen  in  een  venster,  ca.  1618.  Den Haag, Mauritshuis.eenvoudige goudsbloem heeft een nobele buur aan de blauwe winde, de mooie witte roosjes vangen het hoogste licht.

Geen tak van kunst was zo feminin als de bloemschilderkunst, meende Gerard de Lairesse in zijn Groot Schilderboek uit 1707, en inderdaad vinden we ook elders en later in de tijd nogal wat vrouwen die juist in dat specialisme hebben gewerkt. Het schilderen van bloemen was dan ook een keurige bezigheid die binnenshuis kon worden beoefend, terwijl de andere genres allemaal eisen stelden waaraan een nette vrouw niet kon voldoen. Tekenen naar naaktmodel, Judith  Leyster  (1609 – 1660),  De  serenade,  1629. Amsterdam, Rijksmuseum. het portretteren van heren die geen familie waren, het buiten schetsen, of het verkennen van het leven in de stad: dat zal  voor de meeste vrouwen toen nog onbereikbaar zijn geweest. Judith Leyster, die zelf met een genreschilder was getrouwd,
heeft zich wel aan het figuurstuk gewaagd, maar carrière maakte zij niet (3). Rachel Ruysch daarentegen was al tijdens haar leven een Europese beroemdheid. Dat zij een vrouw was, hinderde haar daarbij niet.

Sterker nog, aan haar geschiedenis is goed te zien hoe belangrijk het milieu is waarin een kind terecht komt – ongeacht geslacht. Haar vader was de bekende anatoom en botanicus Frederik Ruysch, haar moeder een dochter van de architect en schilder Pieter Post – en die ouders moeten voldoende plezier in het talent van hun dochter hebben gehad, om haar op vijftienjarige leeftijd bij Willem van Aelst in de leer te doen. Twee jaar later signeerde ze al eigen werk, en met 29 trouwde ze met een man die als wees van onbekende ouders was opgegroeid, dus duidelijk beneden haar stand. Tien kinderen had zij vervolgens met haar Jurriaan, en juist in die jaren schilderde zij ook nog eens het meest. Zij werkte nog toen ze al in de tachtig was, hebbende haer oordeel en gezicht noch wonder wel, zoals haar biograaf Van Gool uit eigen aanschouwing – en vol bewondering – wist te melden.

Ruysch werd als eerste vrouw lid van het Haagse schildersgenootschap Pictura, was net als Adriaen van der Werff hofschilder van Johann Wilhelm van de Palts zonder aan zijn hof te hoeven komen wonen, en werd nog tijdens haar
leven met een hele bundel lofdichten geëerd. Toen zij in 1722 met man en zoon de hoofdprijs won in de staatsloterij, had ze zelfs op kunnen houden met werken – maar dat deed ze wijselijk niet. Rachel moet een zondagskind zijn geweest.

Vereniging Rembrandt Lees verder