Floris Verster (1861-1927)

Blikken kannen, 1905, 35,5 x 30,5 cm.

Utrecht, Centraal Museum , Collectie Van Baaren (sinds 1980)


Drie blikken kannen staan dicht tegen elkaar op een met zink beklede plank, die ongemerkt overgaat in een niet minder grijze, maar onstoffelijke achtergrond. Een studie in grijzen, zo men wil, en een verkenning van de verschillende manieren waarop blik en zink licht vangen en reflecteren. Maar ook een wonderlijk poëtisch beeld van de eenzaamheid van dingen.

De Blikken kannen tonen Verster als een nuchtere dichter. Geen dichter die van de zelfkant wist, zoals Van Gogh, maar wel een dichter die ontdekte dat eenvoud welsprekender kon zijn dan de geëxalteerdheid van zijn jonge jaren, toen hij nog grote schilderijen maakte van bloemen en bladeren die in een explosie van herfstige kleuren vergaan (1). Floris  Verster  (1861 – 1927),  Bloemen  en  bladeren,  1888.  Leiden, Lakenhal. Sommige tijdgenoten betreurden dat Verster deze prachtige schilderdrift verloor, maar zelf zou hij volgens de dichter Verwey hebben gezegd: Ik heb niets verloren, maar er is iets bijgekomen.

En inderdaad, Verster moet hebben gevoeld dat het grote gebaar niet bij hem paste, en dat hij beter kon luisteren dan spreken.


Uit de zorgvuldige waarneming zou dan wel blijken dat alles leeft voor wie het ziet, zoals zijn vriend Verwey de esthetiek van de kunstenaar omschreef. Of, in het geval van dit schilderij: zooals daar die drie kerels van kannen tegen elkaar staan, vernietigen zij alle denkbeeld van vergankelijke voorwerpelijkheid.

Die kannen zijn dus bepaald geen dode dingen, meent de dichter, en het is Verster die hen in staat stelt dat te laten zien. Want hij is het die hun schoonheid heeft opgemerkt en ze daarom heeft meegenomen uit een hotel in Zwitserland, en hij heeft ze ook zo tegen elkaar gezet, nadat hij ze eerst in een andere compositie als drie soldaten op een rij had afgebeeld. Het is de kunstenaar die zichtbaar maakt en zo zijn eigen gevoel met ons probeert te delen.

Versters Blikken kannen staan wat dat betreft ver af van de esthetiek die meent dat kunst alleen maar kunst mag zijn en dat het onderwerp er niet toe doet als de schilder het maar goed geschilderd heeft. Wat hij probeert te laten zien, is eerder dat alles zijn schoonheid en betekenis heeft, zonder dat de kunstenaar daar nu bijzonder diepzinnig of gewichtig over hoeft te doen. De kracht van de kunstenaar blijkt in deze kunstopvatting uit zijn manier van zien – of zij blijkt niet. En dan rijst de vraag naar Versters persoonlijkheid, naar de aard achter zijn manier van kijken.


Een man uit een keurig milieu, zoals dat heet, met geld van huis uit. Niet door de wereld, maar uitsluitend door zichzelf op de proef gesteld. Maar heel even jong. Niet bijzonder betrokken bij het artistieke rumoer van zijn tijd, en in zijn werk zeer ongelijk van kwaliteit. Op zijn best als hij zich op de stille dingen thuis kan concentreren – een houten nap met eieren, drie blikken kannen, een glazen fles met een takje eucalyptus. Nap, kannen en fles hem zo dierbaar, dat hij ze aan het museum in zijn woonplaats Leiden legateert. Dood door verdrinking, wellicht zelf gekozen.

Over de oude meesters weten wij zelden zoveel, en zulk soort kennis is ook maar ten dele relevant – totdat kunst een kwestie van individuele expressie wordt, of het bewustzijn daagt dat alle kunst uiteindelijk haar kracht ontleent aan het feit dat zij expressie is. En dan zegt Verwey over Verster heel mooi: bedwongen drift is ook drift.    

Vereniging Rembrandt Lees verder